Vergeet de vader niet tijdens – en na-  de zwangerschap!

Het vooruitzicht op een kind en het vaderschap is voor iedere man fantastisch… toch? Dat ideaalbeeld blijkt in de praktijk nogal tegen te vallen. Vaders blijken zich opvallend vaak zorgen te maken tijdens de zwangerschap van hun vrouw en veel vaders hebben depressieklachten (10%) of angstklachten (16%) rondom de geboorte van hun kind.

Lees meer

Is jouw kind een paardenbloem of een orchidee?

Ieder kind is verschillend en heeft andere aandacht, zorg en begeleiding nodig. Sommige ontwikkelingspsychologen vergelijken kinderen graag met bloemen. Deze vergelijking wordt inmiddels ook onderschreven door genetisch onderzoek. Wat voor bloem is jouw kind, een paardenbloem of orchidee?

Iedereen kent ze wel, de paardenbloemen die tussen stoeptegels groeien of op willekeurige plekken op een mooi gazonnetje. Deze bloemen hoef je geen water te geven, speciale plantenvoeding of een bepaalde hoeveelheid zonlicht. Paardenbloemen groeien altijd, ook in ongunstige, ruwe omstandigheden. Een orchidee daarentegen heeft veel speciale aandacht nodig. Een orchidee heeft een precieze hoeveelheid water en zonlicht nodig, en als alle omstandigheden goed zijn, ontstaan er de meest prachtige, oogverblindende bloemen.

Bloemenkinderen

Sommige ontwikkelingspsychologen gebruiken de eigenschappen van deze bloemen graag om het type kind mee aan te duiden. Zo heb je kinderen die zich overal wel doorheen slaan, die kunnen opgroeien in een lastige omgeving en daar niet of nauwelijks onder lijden. Ze zijn net als paardenbloemen: bijna niet kapot te krijgen. Daarnaast zijn er kinderen die juist veel speciale aandacht nodig hebben. Deze ‘orchideeën’ zijn gevoeliger voor hun omgeving en kwetsbaarder.

Genetische component

Er is enig bewijs dat in de genen vastligt welke kinderen ‘paardenbloemen’ en ‘orchideeën’ zijn. Als je kijkt naar de gevolgen op de lange termijn voor deze kinderen, dan lijkt er dus een samenspel te zijn tussen het soort ‘bloem’ waarmee een kind vergeleken kan worden en de omgeving waarin het kind opgroeit. Het lijkt voor ‘paardenbloemen’ minder ernstige gevolgen te hebben als ze opgroeien in een psychologisch negatieve omgeving, terwijl zo’n omgeving bij ‘orchideeën’ voor blijvende psychische en gedragskundige problemen kan zorgen.

Positieve omgevingen

Orchideeën zijn dus gevoeliger voor negatieve omgevingen, maar gedijen juist weer des te beter in de juiste, positieve omstandigheden. Dit doen ze dan zelfs in hogere mate dan de ‘paardenbloemen’ in dezelfde positieve omgeving. Deze vaststelling heeft geleid tot onderzoek naar verschillende opvoedtechnieken bij deze twee soorten kinderen. Veel ouders voelen instinctief al aan dat opvoeding niet een kwestie is van ‘one size fits all’, maar dat het vaak beter werkt om de opvoeding aan te laten sluiten bij de eigenschappen van het kind.

WOMB project

Ook binnen WOMB project doen we iets met deze wetenschap. Wij onderzoeken bijvoorbeeld of de vroege omgeving waarin iemand is opgegroeid, invloed heeft op hoe deze persoon reageert op leefstijladvies. Het mag duidelijk zijn dat over dit boeiende onderwerp  het laatste onderzoek nog niet is uitgevoerd.

Test kleuter met marshmallows voorspelt latere prestaties en gezondheid

In ons WOMB-onderzoek hebben we onder andere de ‘marshmallow-test’ gedaan bij kleuters. Deze test gaat over zelfbeheersing: een kleuter krijgt twee snoepjes in plaats van eentje als hij een kwartier kan wachten met opeten. Waarom we deze test deden? Omdat hij een goede indicator is voor intelligentie en gezondheid op latere leeftijd.

Stel, je bent kleuter. Je hebt al een tijdje niet gegeten en je maag knort. Dan geeft de onderzoeksleider je een marshmallow en legt die voor je neus… Het witte zachte snoepje ziet er enorm verleidelijk uit. Net als je hem wilt pakken om op te eten, zegt de onderzoeksleider:

“We gaan een ‘wachtspelletje’ spelen. Ik ga weg en kom straks terug. Je kan wachten met opeten van dit snoepje en dan geef ik je er nog één als ik terugkom. Dus dan heb je er twee. Of je kan de marshmallow nu meteen opeten, maar dan krijg je er maar één.“

Lees meer

Een miskraam bespreekbaar maken… Hoe? En waarom kan het prettig zijn om erover te praten?

“We hebben vorige week een miskraam gehad”. Je zult het niet veel vrouwen of stellen horen zeggen, aangezien er een groeiend taboe lijkt te rusten op een mislukte zwangerschap. Schuldgevoel is hiervan een belangrijke oorzaak. Doordat we steeds meer weten over effecten van voeding en leefstijl tijdens de zwangerschap, voelen veel stellen zich persoonlijk verantwoordelijk voor hun miskraam. Dat meestal niet terecht.

Toen ik laatst met vrienden uit eten was, vertelden zij mij dat ze al drie miskramen hadden gehad. Ondanks hun openhartigheid naar mij toe, durfden ze weinig mensen in hun omgeving te vertellen dat ze een miskraam hebben gehad. Het gebeurt opvallend vaak dat een koppel hun ‘miskraam’ stilhoudt voor de omgeving. Waarom eigenlijk?

‘Eigen schuld’

In de eerste plaats is de verklaring dat veel stellen zich persoonlijk verantwoordelijk voelen voor de miskraam. Dit gevoel van ‘eigen schuld’ wordt naar mijn mening deels aangewakkerd door de media, maar ook door de wetenschap. Er zijn steeds meer soorten voeding en gewoontes en verslavingen bekend die niet goed zijn voor het ongeboren kind. Hierdoor speelt leefstijl gedurende de zwangerschap een almaar grotere rol. Het is echter absoluut niet zo dat alle miskramen veroorzaakt worden door de leefstijl van de zwangere vrouw.

Genetische foutjes

In minstens de helft van de miskramen gaat er iets verkeerd tijdens het groeiproces van de baby, veroorzaakt door foutjes in het kopiëren van het genetisch materiaal. Deze foutjes worden niet veroorzaakt door het gedrag van vader of moeder, maar ontstaan spontaan. Door de foutjes in het genetisch materiaal groeit het kind niet goed en wordt het voortijdig afgestoten door het vrouwenlichaam. Daarnaast zijn er een aantal andere oorzaken zoals bepaalde chronische ziektes die, zonder dat een vrouw daar iets aan kan doen, de kans op een miskraam vergroten.

Nooit gekend

Maar er is denk ik nog een andere belangrijke reden waarom een stel niet bespreekt met de omgeving dat ze een miskraam hebben gehad. Het is voor het stel en hun omgeving lastig om over dit onderwerp te praten, omdat er is geen sprake van het verlies van iemand die je gekend hebt, waar je herinneringen aan hebt. Ze hebben iets verloren waar ze ontzettend naar uitkeken om te leren kennen. Maar hoe ga je daar als familie of vriend van een stel dat een miskraam heeft gehad mee om? Welke vragen kan je stellen? Niet iedereen voelt zich er even gemakkelijk bij om hele persoonlijke dingen te delen over zo’n nare gebeurtenis. Mocht je toch in zo’n situatie komen, en heb je moeite met een gesprek, bedenk dan dat het luisteren naar iemands verhaal alleen al heel waardevol kan zijn.

Steun is belangrijk

Het doormaken van een miskraam kan een erg verdrietige en zware periode zijn, waarbij het juist belangrijk is om steun te krijgen van familie en vrienden. Misschien voelt het stel zich na een miskraam eenzaam, omdat ze zo hadden uitgekeken naar een uitgebreider gezin. Door hierover met vrienden of familie te praten, kan de omgeving ook meer rekening houden met de situatie. Daarnaast kan openhartig zijn tegenover andere mensen er ook voor zorgen dat zij hun eigen ervaringen delen, en je ontdekt dat je zeker niet de enige bent die een miskraam heeft gehad. Jaarlijks zijn er alleen al in Nederland 20.000 miskramen. Hiervan gebeurt zo’n 80% in de eerste 12 weken en 90% vóór de 16e week van de zwangerschap.

Facebook-oprichter Mark Zuckerberg deelde zijn ervaring met miskramen via…hoe kan het ook anders…Facebook. Klik hier om zijn bericht te bekijken.

Waarom sommige kinderen denken dat ze in een speelgoedautootje passen

Misschien heb je het wel eens bij een klein kind gezien of bij jouw eigen kind: hij of zij probeert in een speelgoedautootje te kruipen of wil in een Playmobil-stoeltje gaan zitten. Raar? Nee hoor. Deze “blinde vlek” komt vaker voor en hoort bij de ontwikkeling van het kind als het tussen de 1,5 en 2 jaar oud is.

Kinderen zien en voelen van alles en leren op die manier van alles over de wereld om hen heen. Dit gaat natuurlijk geleidelijk. Zo weten hele jonge kinderen nog niet dat hun geliefde knuffel ook bestaat wanneer ze de knuffel niet zien. In hun kinderbrein geldt: wat je niet ziet, bestaat niet. Een voor de helft bedekte knuffel is raar, want dan is de knuffel half. Al snel leren kinderen dat de knuffel helemaal niet half is, en ook dat de knuffel blijft bestaan wanneer de knuffel uit zicht is. Nog iets later in hun ontwikkeling gaan kinderen op zoek naar hun knuffel als deze in een andere kamer ligt. Dat gaat allemaal best snel; voor je het weet, hebben ze het door.

Schoen van pop aantrekken

Maar doordat het kind zich zo snel ontwikkelt, ontstaat er soms een verschil tussen de visuele perceptie (dus wat kinderen zien), gedachten (dit kan ik doen met wat ik zie) en hun motorische actie (dit ga ik doen met de visuele informatie en de gedachten). Een mooi voorbeeld hiervan is de studie van de onderzoeksgroep van DeLoache. De wetenschappers merkten op dat kinderen soms heel hard proberen om in hun speelgoedauto te gaan zitten of de schoenen van hun poppen aan te trekken. Dit fenomeen, wat ook veel ouders en verzorgers bekend zal voorkomen,  gingen ze verder onderzoeken.

Miniatuur-auto

In hun studie onderzochten ze kinderen tussen de 18 en 30 maanden oud. De kinderen ontwikkelden zich normaal. Ze werden eerst in een ruimte geplaatst waarin ze met een glijbaan, speelgoedauto en een stoel op normale grootte mochten spelen. Daarna moesten de kinderen even ergens anders heen en vervingen de onderzoekers de grote speeltoestellen, auto en stoel door miniatuurversies. De kinderen kwamen weer terug in de ruimte. Hun gedrag werd opgenomen. En wat bleek? Heel veel kinderen maakten ‘de fout’ om zichzelf in alle bochten te wringen om tóch van die glijbaan af te gaan (foto A) of in de auto te gaan zitten (foto B) of op de stoel plaats te nemen (foto C).


Inhibitie

Kinderen tussen de 20 en 24 maanden maakten het vaakst deze ‘fout’. De kinderen zien een ‘stoel’ en linken dit aan ‘in een stoel moet je zitten’. Vervolgens willen ze in de stoel gaan zitten. Als ze zien dat de stoel een miniatuur is, dan zorgt hun ‘inhibitie’ (remming of onderdrukking) er normaal gesproken voor dat ze niet zullen proberen in de miniatuurstoel te zitten, omdat ze zien en weten dat het nooit zal passen. Ze worden dan in feite tegengehouden door hun brein om iets onmogelijks te gaan proberen. Bij kinderen die wél in de miniatuur-auto, -stoel of –glijbaan probeerden te wringen, Lijkt het erop dat deze inhibitie nog niet goed genoeg is ontwikkeld. Hun idee van ‘in een stoel moet je zitten’ is al wel goed ontwikkeld. Zie je dit gebeuren bij een kind? Geen probleem, het gebeurt vaker en de inhibitie ontwikkelt zich later meestal alsnog prima.

Het grote belang van een goede hechting tussen moeder / verzorger en baby

De hechting tussen moeder en baby heeft invloed zijn op het latere leven van het kind. Een slechte hechting kan leiden tot allerlei psychische problemen op latere leeftijd, zoals onzekerheid, eetproblemen, angst en stress.
Lees meer