Wanneer de verloskundige of arts bellen tijdens je zwangerschap?

Veel zwangere vrouwen -en hun partners- twijfelen wanneer ze contact moeten opnemen met een verloskundige of arts tijdens de zwangerschap. Iedereen voelt zich wel eens onzeker over of het wel goed gaat met het kwetsbare ongeboren kind. Tegelijkertijd willen de meeste mensen niet paniekerig overkomen. Toch zijn er bepaalde situaties waarin je sowieso altijd zou moeten bellen. Een overzicht.

Voor vrouwen – en hun partners- die niet snel ongerust zijn, bel in ieder geval wanneer:

  • Je op enig moment tijdens de zwangerschap vaginaal bloed verliest. Het is voor de verloskundige of arts belangrijk om de ernst van het bloedverlies vast te kunnen stellen. Daarom is het slim om het bewijs te bewaren.

 

  •  Je koorts hebt, of je ziek voelt. Infecties kunnen invloed hebben op je ongeboren kind. Daarom wordt er soms eerder over gegaan op een behandeling wanneer je zwanger bent dan wanneer je dat niet bent.

 

  • Je meer dan 20 weken zwanger bent en één of meerdere van de volgende klachten ervaart:

– Hoofdpijn
– Sterretjes zien
– Gevoel van een strakke band om het hoofd of bovenbuik
– Pijn in de bovenbuik of tussen de schouderbladen
– Plotseling vocht vasthouden in het gezicht, handen of voeten.

  • Je 26 weken of langer zwanger bent en je kindje minder beweegt dan je normaal van hem of haar gewend bent.

 

  • Je minder dan 37 weken zwanger bent maar tekenen hebt van weeën; zoals buikpijn of rugpijn die met een bepaalde regelmaat komt en gaat.

 

  • Je merkt dat je opeens kleine beetjes of ineens een grote hoeveelheid vaginaal vocht verliest. In beide gevallen kunnen de vliezen gebroken zijn. Soms is het vruchtwater gekleurd, maar over het algemeen heeft het een heldere kleur. Met een simpele test kan worden bepaald of het vocht inderdaad vruchtwater is. Probeer daarom een klein beetje vocht op te vangen.

 

Los van deze altijd-bellen-regels: mocht je twijfelen of alles wel in orde is, of maak je je zorgen? GEWOON BELLEN!

Waarom onderzoek doen naar voeding zo lastig is

Wetenschappelijk onderzoek doen naar voeding is lastig, ingewikkeld en vergt veel geduld. Hoe komt dat eigenlijk? En hoe kun je betrouwbare informatie onderscheiden van onbetrouwbare informatie? Voedingsdeskundige Tessa van Elten legt uit en geeft tips.

Eigenlijk is wetenschappelijk onderzoek naar voeding nog een relatief jong wetenschapsgebied. Met de huidige onderzoekstechnieken en analysetechnieken komen we steeds meer te weten. Maar het is ook een lastig onderwerp om onderzoek naar te doen. Waarom eigenlijk? Want we eten met zijn allen toch de hele dag door? Juist het feit dat mensen allerlei verschillende soorten voedsel en dranken met elkaar combineren, maakt wetenschappelijk onderzoek naar een specifiek voedingsmiddel of voedingsstof lastig. Maar ook andere omgevingsfactoren spelen een rol in de voedingswetenschap en dat maakt het best ingewikkeld.

Totaalpakket aan voeding

Ik zal het toelichten met een voorbeeld. Binnen WOMB project onderzoeken we de relatie tussen voeding en de hart- en vaatgezondheid van vrouwen en kinderen. Het is bekend dat het eten van producten met veel verzadigd vet nadelig is voor onze hart- en vaatgezondheid op de lange termijn. Denk aan snacks, gebak, kokosvet, roomboter en harde of vaste bak- en braadvetten. Maar naast al deze producten met veel verzadigde vetten, eten mensen ook brood, fruit, groente, aardappelen, rijst, couscous, magere yoghurt, halfvolle melk, enzovoorts. We eten dus niet alléén kokosvet of roomboter. En alles wat we binnenkrijgen zorgt juist samen voor een bepaalde verhouding aan vetten, koolhydraten en eiwitten in onze voeding. Daarnaast krijg je tezamen met deze voedingsmiddelen ook vitaminen en mineralen binnen. Hoe slecht voor je gezondheid is het dan wanneer jij voldoende fruit en groente eet, altijd in olijfolie bakt, maar óók roomboter op je brood smeert? Heb je dan een slechtere hart- en vaatgezondheid? We hebben dus te maken met een totaal pakket aan voeding en niet met één enkel product.

Nog veel meer factoren

En stel dat je daarnaast helemaal niet sport? Of juist elke dag een uur fanatiek hardloopt? Of dat je moeder een hoge bloeddruk heeft en je vader een hoog cholesterol? Dat jij zelf rookt, of misschien je partner waardoor je meerookt? Wat is het effect van je voeding op hart- en vaatgezondheid als je al deze factoren meeweegt? De 17 miljoen mensen in Nederland, hebben ook 17 miljoen verschillende leefstijlen en -omstandigheden. We kunnen mensen nu eenmaal niet in een laboratorium zetten en hun leven lang hetzelfde laten eten, om uiteindelijk te bekijken of ze hart- en vaatziekten krijgen. Dat maakt het onderzoek naar de relatie tussen voeding en gezondheid wel extra gecompliceerd.

Onbetrouwbare informatie

Lang niet al het wetenschappelijke onderzoek dat naar voeding en gezondheid wordt gedaan is meteen praktisch toepasbaar in de keuken. Er moeten verschillende goede onderzoeken gedaan worden voordat er betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken. En ondertussen hebben we via blogs, websites en social media toegang tot allerlei leuke en interessante informatie over voeding. Uiteraard zit hier best ook betrouwbare informatie tussen, van professionals die weten waar ze het over hebben. Maar er zit ook informatie tussen die meer gebaseerd is op meningen of ervaringen, dan op wetenschappelijk onderzoek en bewijs. Een soort voedings-nepnieuws eigenlijk.

Checken op betrouwbaarheid

Hoe kun je weten of je met onbetrouwbare of betrouwbare informatie te maken hebt? Kijk naar de reputatie van het medium en of er bijvoorbeeld bronnen of doorverwijzingen bij het artikel vermeld staan, of dat er wetenschappelijk onderzoek aangehaald wordt waarop de informatie gebaseerd is. Let ook op of er bijvoorbeeld met professionals binnen het vakgebied is gepraat. En zelfs als het antwoord op al deze vragen positief is, dan nog steeds is het belangrijk om je af te vragen of de informatie betrouwbaar is. Want misschien is er een onderzoek geweest dat beweert dat je van veel kiwi’s eten geen griep krijgt, maar is dit onderzoek wel goed uitgevoerd?

Ga zelf op onderzoek uit

Wil je echt zeker weten of de informatie die je leest juist is, ga dan op onderzoek uit en geloof niet meteen de eerste en de beste uitspraak die gedaan wordt.

Begin dit jaar is de nieuwe Schijf van Vijf uitgekomen. Deze voedingsadviezen zijn gebaseerd op de Richtlijnen Goede Voeding 2015 en samengesteld door de Gezondheidsraad. Dat is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan voor de Nederlandse regering. Bij het samenstellen van de Schijf van Vijf is gekeken naar de huidige stand van zaken op wetenschapsgebied. De conclusies uit deze onderzoeken zijn op een systematische manier beoordeeld en verwerkt tot de nieuwe Richtlijnen Goede Voeding. Door middel van een achtergrond document wordt uitgelegd hoe er tot de richtlijnen gekomen is. Ik durf te stellen dat hier sprake is van wetenschappelijk goed en correct uitgevoerd onderzoek. Duik op deze manier ook eens in de informatie die je online leest: zoek de bijpassende bronnen op, lees achtergrond artikelen. Kortom: ga zelf op onderzoek uit.

Vraag het een professional

Uiteindelijk streven we allemaal naar hetzelfde doel: gezond eten, om zo gezond mogelijk te zijn en te blijven. Een mooi doel, maar wees kritisch op de informatie die je gebruikt. Denk goed na over wat je leest en hoort, en gebruik betrouwbare bronnen om je informatie uit te halen. En bij twijfel over bepaalde adviezen, niet in meegaan, en leg je vragen neer bij een professional.

Wat we morgen eten? Kweekvlees, insecten en een maaltijd uit de printer!

Vorige week was ik op een expositie over het voedsel van de toekomst. Eenmaal binnen keek je vanuit de toekomst terug naar het jaar 2017 en dat was erg interessant. Wat blijkt: het eten van insecten, kweekvlees en geprinte driegangenmaaltijd is waarschijnlijk veel dichterbij dan we denken…

We weten dat onze huidige manier van voedsel produceren (te) veel vraagt van de aarde. Denk aan grootschalige landbouw of de grootschalige veeteelt voor vlees en zuivel. Daarnaast groeit de wereldbevolking en hebben we te maken met klimaatverandering. Allemaal factoren die van invloed zijn op ons eten, en vooral op de productie en beschikbaarheid van eten. We moeten met alternatieven komen om alle mensen van genoeg voedsel te kunnen blijven voorzien, maar dan wel op een duurzame manier.

Insecten

Insecten vormen een goede duurzame vleesvervanger. Ze zijn een bron van eiwitten en bevatten daarnaast ook  nog ijzer, en vitamine B1 of vitamine B12. Insecten zorgen voor een veel lagere uitstoot  van broeikasgassen dan vee. Ook is er minder water nodig om ze te onderhouden en zetten ze voeding efficiënter om in vlees. Een schaaltje knapperige insecten verorberen in plaats van een sappig biefstukje is dus een hele verbetering voor het milieu. Ik geef toe: het idee is wennen, maar in andere landen worden insecten al volop gegeten. Er zijn zelfs al supermarkten in Nederland die eetbare insecten verkopen. Ook bestaan er kookboeken waarin uitgebreid staat beschreven hoe je insecten lekker kunt bereiden.

In Cambodja en veel andere landen is het eten van sprinkhanen ingeburgerd

Kweekvlees

Kweekvlees is ‘nepvlees’ dat vanuit een laboratorium wordt opgekweekt. Geen vee meer, geen land meer nodig, geen voedsel voor al dat vee. Er wordt nu al volop mee geëxperimenteerd. Kweekvlees is alleen veel minder ver in ontwikkeling dan insecten als alternatieve vleesbron. Zo liggen de productiekosten van kweekvlees nog veel te hoog en kan het kweekvlees alleen nog op kleine schaal geproduceerd worden. Er zijn daarnaast vragen over hoe duurzaam het kweekvlees nu echt is. Het waterverbruik voor kweekvlees is bijvoorbeeld wel minder hoog dan voor echt vlees, maar hoe veel lager precies is nog onduidelijk. Ook is nog niet goed duidelijk hoeveel lager het energieverbruik ligt in geval van kweekvlees. Kortom, er zijn nog veel vragen te beantwoorden en processen te verbeteren voordat je daadwerkelijk naar de supermarkt kan gaan voor een lapje kweekvlees.

De uitdagingen van kweekvlees (Foto: Régine Debatty)

Maaltijd uit de printer

Stel je voor dat je verschillende ingrediënten kan laten printen tot een maaltijd, met daarin alle voedingsstoffen, vitaminen en mineralen die je nodig hebt. Je hoeft niet meer in de keuken te staan, je eten is altijd vers op het moment dat je het print en je kunt de smaak en structuur van je maaltijd nauwkeurig en computergestuurd aanpassen naar wens. Er wordt op dit moment al volop geëxperimenteerd met deze mogelijkheid, maar er zijn nog punten waaraan gewerkt moet worden voordat wij thuis zo’n voedselprinter in de keuken hebben staan. Ook is het nog lastig te zeggen hoe duurzaam het printen van voedsel nu precies is, maar voordelen heeft het zeker. Zo is er minder transport nodig, want je produceert zelf je voeding. En er is minder verpakkingsmateriaal nodig, omdat je het geprinte voedsel meteen opeet.

Over tien jaar

Het zijn nog maar drie mogelijkheden voor duurzamere voeding in de toekomst. Wie weet waar we over een paar jaar staan. Zouden we dan al terugkijken naar 2017 met verbazing over hoe we toen aten en voedsel produceerden? Misschien haal je in 2027 op het station wel een lekkere insectensnack voor onderweg in de trein, terwijl je broodtrommel vol zit met ingrediënten voor in de voedselprinter op je werk.

De nieuwe Beweegrichtlijnen 2017 zijn er! Maar…hoe haal je ze?

De Gezondheidsraad bracht eind augustus de nieuwe Beweegrichtlijnen uit. Wat staat er allemaal in de nieuwe richtlijnen en wat betekenen ze nu in de praktijk voor jou en mij?

Voor volwassenen en ouderen zijn dit de nieuwe adviezen:

 

• Bewegen is goed, meer bewegen is beter.
• Doe minstens 150 minuten per week aan matig intensieve inspanning, zoals wandelen en fietsen verspreid over diverse dagen. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel.
• Doe minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten, voor ouderen gecombineerd met balansoefeningen.
• Voorkom veel stilzitten.

Voor kinderen van 4 t/m 18 jaar oud luiden de nieuwe adviezen als volgt:

• Bewegen is goed, meer bewegen is beter.
• Doe minstens elke dag een uur aan matig intensieve inspanning. Langer, vaker en/of intensiever bewegen geeft extra gezondheidsvoordeel.
• Doe minstens driemaal per week spier- en botversterkende activiteiten.
• Voorkom veel stilzitten.

Tips om de norm te halen

Naar schatting haalt maar 45% van de kinderen, volwassenen en ouderen de nieuwe beweegrichtlijnen. Dat is dus minder dan de helft! Hoe kan je ervoor zorgen dat je wel de aanbevelingen haalt?

Eigenlijk vullen het eerste en het laatste punt elkaar mooi aan. Kijk eens naar je dagindeling, op welke momenten zit je langere tijd achter elkaar stil? Probeer juist op deze momenten meer te bewegen. Ga na een uur werken achter je bureau een korte wandeling maken. Dat is niet alleen goed voor je beweging, maar ook om focus op je werk te houden. Onderzoek ook of je meer kan lopen en fietsen in plaats van de auto, de trein of de bus te nemen. Stap eens een halte eerder uit of loop samen met collega’s een rondje tijdens de lunch. Wat ook lekker is, is een rondje wandelen voor het slapen gaan. Geen scherm-tijd en frisse buitenlucht, waardoor je ook nog eens beter in slaap valt. Door op deze manier na te denken over meer mogelijkheden om te bewegen, verhoog je het aantal minuten matig intensieve inspanning per week meteen. Eigenlijk drie vliegen in één klap: en je zit minder, en je beweegt meer, en je matig intensieve inspanning gaat omhoog.

Spierversterkende oefeningen

Bij spierversterkende oefeningen doe je oefeningen die de kracht en het vermogen van de skeletspieren verbeteren. Dit zijn bijvoorbeeld krachttrainingen of fitnessoefeningen. Bij botversterkende oefeningen kan je denken aan sporten waarbij je je lichaam belast met het eigen lichaamsgewicht, bijvoorbeeld hardlopen. Zwemmen en fietsen zijn geen botversterkende activiteiten. Het zijn namelijk geen sporten waarbij je je eigen lichaamsgewicht draagt. Probeer dus twee keer per week een sportsessie in te plannen. Niet bij iedereen favoriet, maar zoek naar mogelijkheden om dit tot een gewoonte te maken. Vindt je het bijvoorbeeld lastig om te gaan sporten en heb je motivatie nodig, zoek dan een sportmaatje. Is de sportschool niets voor jou, doe dan thuis oefeningen met behulp van bijvoorbeeld een app op je smartphone (tip: 30 Day Fitness Challenge voor Android of iPhone). Of ga lekker buiten in de natuur sporten.

In een eerder WOMB blog van collega Stijn Mintjens staan tips hoe je kinderen meer kunt laten bewegen.

Alle stapjes helpen

De laatste tip is misschien wel de belangrijkste: zet kleine stappen die haalbaar zijn. Het is heel goed als je en wilt gaan wandelen en wilt gaan fietsen en twee keer per week wilt gaan sporten. Maar… is dit niet teveel verandering in één keer? Kijk naar je eigen agenda en probeer aanpassingen te maken die echt bij jou passen zodat je ze ook echt in je leven kunt inpassen. En zet deze nieuwe plannen gelijk in je agenda. Alleen zo wordt meer bewegen een gewoonte!

Wat bijna niemand nog weet over hart- en vaatziekten bij vrouwen…

Hart- en vaatziekten zijn doodsoorzaak nummer 1 in Nederland. Bij vrouwen worden hart- en vaatziekten vaak niet op tijd herkend. Er zijn belangrijke verschillen tussen mannen en vrouwen bij deze ziekte. Hoe zit dat nou?

Het beeld dat vooral mannen lijden – en overlijden- aan hart- en vaatziekten is onjuist. Integendeel: er sterven juist meer vrouwen dan mannen aan deze ziekte. Elk jaar overlijden 21.000 vrouwen aan een hart- of vaatziekte: zo’n 57 per dag. En een kwart van alle vrouwen overlijdt aan deze ziekte. Vrouwen zijn gemiddeld wel ouder als ze last krijgen van hart- en vaatziekten dan mannen. Veel cijfers en feiten zijn te bekijken in het cijferboek van de Nederlandse Hartstichting.

Een aantal weetjes op een rij over vrouwen en hart- en vaatziekten.

  • Vrouwen die bepaalde zwangerschapscomplicaties hebben gehad, zoals hoge bloeddruk of suikerziekte, hebben op latere leeftijd een groter risico om hart- en vaatziekten te krijgen.
  • Bij vrouwen wordt een hartaanval niet altijd meteen herkend, omdat vrouwen vaker klachten hebben die niet typisch bij een hartaanval horen.
    Dit zijn bijvoorbeeld:
    a. Een onrustig/angstig gevoel
    b. Moeheid
    c. Duizeligheid
    d. Pijn tussen de schouderbladen, of in de bovenbuik, kaak, nek of rug
    e. Kortademigheid

  • Vrouwen die voor hun 40e levensjaar al in de overgang zijn gekomen, lopen meer risico op het krijgen van hart- en vaatziekten.
  • Vrouwen kunnen overgangsklachten verwarren met hartklachten, waardoor hart- en vaatziekten niet altijd worden herkend en op tijd behandeld worden.
  • In het hart ontwikkelt de ophoping van allerlei stoffen, waaronder cholesterol, zich anders bij vrouwen. Bij vrouwen is deze ophoping vaker in de kleine bloedvaten van het hart, terwijl dit bij mannen vaker in de grotere bloedvaten van het hart gebeurt.
  • Vrouwen lijken voor de overgang beschermd te zijn voor hart- en vaatziekten. Als je kijkt naar mensen die ouder dan 70 zijn, komen hart- en vaatziekten vaker bij vrouwen voor dan bij mannen. Bij mannen komt een hoog cholesterol gehalte of hoge bloeddruk op jongere leeftijd voor, in vergelijking met vrouwen, die hier vaak pas na de overgang mee te maken krijgen.

 

Meer onderzoek nodig

Wetenschappelijk onderzoek naar deze verschillen tussen mannen en vrouwen is erg belangrijk om de zorg voor vrouwen te kunnen verbeteren. Het lijkt er op dat we het herkennen van bepaalde hart- en vaatziekten en de behandeling van deze ziekten niet op eenzelfde manier kan voor mannen en vrouwen. Binnen het WOMB-project onderzoeken wij of vrouwen met overgewicht, gezondere hart- en vaten hebben als zij gezonder zijn gaan eten, en meer zijn gaan bewegen in de periode voorafgaand aan vruchtbaarheidsbehandelingen en een eventuele zwangerschap. We denken dat vrouwen in deze periode extra gevoelig zijn voor advies over hun gezondheid, en we daarmee de gezondheid van hun hart- en vaten op lange termijn kunnen verbeteren.

Ongewenst kinderloos: ‘Ook zonder kinderen is er leven’

Er zijn genoeg mensen te vinden die, ondanks allerlei medische vruchtbaarheidsbehandelingen, ongewenst kinderloos blijven. Laura (37) en Bas (35) vallen onder deze groep. Zij doen hun verhaal om andere koppels en zorgprofessionals te laten zien hoe een niet vervulde kinderwens kan veranderen naar een gelukkig leven zonder kinderen. ‘Een vruchtbaarheidstraject stoppen is niets om je voor te schamen’.

Lees meer