Medische wetenschap: van aderlaten en piskijken in 1850 tot placebo’s in 2017

Tot halverwege de 19e eeuw kon de dokter eigenlijk vrij weinig doen tegen infectieziekten en veel andere ziekten en aandoeningen. Het was een Franse wetenschapper die pas in 1860 voor het eerst de connectie maakte tussen ziekten en micro-organismen. Sinds die tijd heeft de medische wetenschap een razendsnelle ontwikkeling doorgemaakt, met vallen en opstaan.

Last van ringworm? Smeer je schedel in met jongensurine. Jicht? Smeer je voeten in met regenwormen. Doofheid? Smeer vossenvet achter je oor. Geelzucht? Eet een hand vol luizen. Syfilis? Misschien helpt insmeren met kwikzilver wel. Of heeft uw kind last van doorkomende tandjes? Geef het gerust wat morfine of heroïne. Zomaar wat ‘ingrepen’ die dokters in de negentiende eeuw en eerder deden. Meestal hielp het weinig.

Piskijken en aderlaten

Bij bijna elke klacht dacht de arts van vroeger diep na. Hij voelde aan de pols, bekeek de urine van zijn patiënt (piskijken) en dan werd bijna altijd besloten tot aderlaten, een zweetkuur of darmspoeling. Het aderlaten – het weg laten vloeien van bloed uit het lichaam- is één van de oudste en was een veel  gebruikte therapie tot ver in de 19e eeuw. Waarom koos de dokter ervoor om bloed af te tappen? Men dacht destijds dat ziekten ontstonden door een onbalans in de lichaamsvloeistoffen bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Door het aftappen van bloed, laxeren of flink laten zweten, probeerden de artsen de balans in het lichaam terug te brengen. Dat aderlaten niet altijd handig was hadden ze nog niet bedacht, bijvoorbeeld bij zwaar gewonde soldaten of vrouwen na een bevalling…

Ommekeer: vaccinatie

De ommekeer in de geneeskunde kwam rond 1860, alhoewel het bestaan van bacteriën en andere micro-organisme al in 1676 ontdekt was door de Nederlander Anthoni van Leeuwenhoek. De Fransman Louis Pasteur maakte voor het eerst de connectie tussen micro-organismen en het ontstaan van ziekten. Dankzij zijn experimenten maakte hij ook nog eens de eerste vaccins. Men realiseerde ineens dat ziekten ook van buitenaf veroorzaakt kunnen worden. Maar misschien belangrijker nog: door kritisch te zijn over de vertrouwde verklaringen en op zoek te gaan naar andere oorzaken, was hij in feite de grondlegger van het moderne medisch wetenschappelijke onderzoek.

Louis Pasteur (bron: Wikipedia)

Italiaanse hartchirurg

Nu betekende de ontdekkingen van Pasteur niet gelijk dat alle behandelingen vanaf dat moment ineens allemaal goed onderbouwd waren. Zomaar een voorbeeld: mensen met pijn op de borst hebben dat vaak doordat de hartspier onvoldoende zuurstof krijgt. Tegenwoordig weten we dat dit komt door aderverkalking. In 1939 echter had een Italiaanse chirurg bedacht het hart meer zuurstof te geven door twee vaten af te binden rondom het hart met het idee dat zich hier vanzelf wel nieuwe bloedvaten zouden vormen. Zijn patiënten waren ronduit tevreden: driekwart zei minder pijn te ervaren na de operatie. Totdat in 1959 een cardioloog uit Seattle, Leonard Cobb, een test bedacht om te checken of de operatie wel werkelijk effectief was. Bij de helft van de patiënten maakte hij alleen een sneetje in de borst en deed hij verder niks, terwijl hij bij de andere helft van de patiënten wel de volledige operatie deed. Wat bleek, het werkte allebei even “goed”, alleen omdat mensen dachten dat het hielp (placebo-effect).

Vage hoofdpijn

Nog recenter, in 1987 deed een huisartsenpraktijk onderzoek naar mensen met wat vage hoofdpijn, buikpijn en vermoeidheid. De arts zag geen alarmsymptomen. Daarom werd in de ene groep een positief consult gegeven, de arts vertelde dat het met een paar dagen wel een stuk beter zou gaan. In de andere groep zeiden de artsen dat ze niet wisten wat de patiënt had, en hoe lang het zou duren. Na twee weken voelde 64% in de eerste groep zich beter, terwijl slechts 39% in de tweede groep zich beter voelde.

Placebo als controle

De geneeskunde verandert continu, maar ook de opvattingen van patiënten veranderd. Bovenstaande voorbeelden van een placebo-effect geven de patiënt het idee dat er ‘iets’ gedaan wordt. Alleen al die positieve gedachte kan klachten verlichten. Daarom worden tegenwoordig bij onderzoek naar nieuwe medicijnen altijd placebo medicijnen ingezet voor controle. Zo’n pil ziet, smaakt en voelt exact hetzelfde als de echte, maar bevat geen werkzame middelen.

Aandacht voor de patiënt

De geneeskunde wordt alleen maar beter als we ons continu blijven afvragen waarom we een behandeling uitvoeren en of die behandeling wel echt nuttig is. Maar we moeten als artsen óók aandacht hebben voor het placebo-effect. Want is het uiteindelijk niet het belangrijkst dat de arts voldoende aandacht aan de patiënt geeft, de patiënt geruststelt waar nodig en samen tot de beste behandeling komt.