Waarom sommige kinderen denken dat ze in een speelgoedautootje passen

Misschien heb je het wel eens bij een klein kind gezien of bij jouw eigen kind: hij of zij probeert in een speelgoedautootje te kruipen of wil in een Playmobil-stoeltje gaan zitten. Raar? Nee hoor. Deze “blinde vlek” komt vaker voor en hoort bij de ontwikkeling van het kind als het tussen de 1,5 en 2 jaar oud is.

Kinderen zien en voelen van alles en leren op die manier van alles over de wereld om hen heen. Dit gaat natuurlijk geleidelijk. Zo weten hele jonge kinderen nog niet dat hun geliefde knuffel ook bestaat wanneer ze de knuffel niet zien. In hun kinderbrein geldt: wat je niet ziet, bestaat niet. Een voor de helft bedekte knuffel is raar, want dan is de knuffel half. Al snel leren kinderen dat de knuffel helemaal niet half is, en ook dat de knuffel blijft bestaan wanneer de knuffel uit zicht is. Nog iets later in hun ontwikkeling gaan kinderen op zoek naar hun knuffel als deze in een andere kamer ligt. Dat gaat allemaal best snel; voor je het weet, hebben ze het door.

Schoen van pop aantrekken

Maar doordat het kind zich zo snel ontwikkelt, ontstaat er soms een verschil tussen de visuele perceptie (dus wat kinderen zien), gedachten (dit kan ik doen met wat ik zie) en hun motorische actie (dit ga ik doen met de visuele informatie en de gedachten). Een mooi voorbeeld hiervan is de studie van de onderzoeksgroep van DeLoache. De wetenschappers merkten op dat kinderen soms heel hard proberen om in hun speelgoedauto te gaan zitten of de schoenen van hun poppen aan te trekken. Dit fenomeen, wat ook veel ouders en verzorgers bekend zal voorkomen,  gingen ze verder onderzoeken.

Miniatuur-auto

In hun studie onderzochten ze kinderen tussen de 18 en 30 maanden oud. De kinderen ontwikkelden zich normaal. Ze werden eerst in een ruimte geplaatst waarin ze met een glijbaan, speelgoedauto en een stoel op normale grootte mochten spelen. Daarna moesten de kinderen even ergens anders heen en vervingen de onderzoekers de grote speeltoestellen, auto en stoel door miniatuurversies. De kinderen kwamen weer terug in de ruimte. Hun gedrag werd opgenomen. En wat bleek? Heel veel kinderen maakten ‘de fout’ om zichzelf in alle bochten te wringen om tóch van die glijbaan af te gaan (foto A) of in de auto te gaan zitten (foto B) of op de stoel plaats te nemen (foto C).


Inhibitie

Kinderen tussen de 20 en 24 maanden maakten het vaakst deze ‘fout’. De kinderen zien een ‘stoel’ en linken dit aan ‘in een stoel moet je zitten’. Vervolgens willen ze in de stoel gaan zitten. Als ze zien dat de stoel een miniatuur is, dan zorgt hun ‘inhibitie’ (remming of onderdrukking) er normaal gesproken voor dat ze niet zullen proberen in de miniatuurstoel te zitten, omdat ze zien en weten dat het nooit zal passen. Ze worden dan in feite tegengehouden door hun brein om iets onmogelijks te gaan proberen. Bij kinderen die wél in de miniatuur-auto, -stoel of –glijbaan probeerden te wringen, Lijkt het erop dat deze inhibitie nog niet goed genoeg is ontwikkeld. Hun idee van ‘in een stoel moet je zitten’ is al wel goed ontwikkeld. Zie je dit gebeuren bij een kind? Geen probleem, het gebeurt vaker en de inhibitie ontwikkelt zich later meestal alsnog prima.